top of page
engel.jpg

Detail hoofdaltaar Sint Luciakerk

Het Loterijfonds Ravenstein ​

Een uniek verhaal van geloof, gemeenschap en vertrouwen.

​

In 1729 gebeurde in Ravenstein iets bijzonders. In een tijd waarin loterijen in de Republiek der Nederlanden streng gereguleerd of zelfs verboden waren, kreeg dit kleine stadje aan de Maas toestemming om een openbare loterij te organiseren. Niet om de staatskas te vullen, maar om iets heel concreets mogelijk te maken: de bouw van een nieuwe rooms-katholieke kerk.

​

Dat was geen toeval. Ravenstein hoorde in de 18e eeuw niet bij de Republiek, maar stond onder het gezag van de keurvorst van de Palts. Daardoor golden hier andere regels. Juist die uitzonderingspositie maakte het mogelijk om iets te doen wat elders nauwelijks kon: met een loterij geld inzamelen voor kerk, onderwijs en gemeenschap.

​

De loterij werd een groot succes. Zo groot zelfs, dat zij uitgroeide tot wat we nu kennen als het Loterijfonds Ravenstein – een fonds dat eeuwenlang een belangrijke rol zou spelen in het leven van stad en omgeving.

​

De man achter het idee: Johannes Franciscus van Willigen

​

De initiatiefnemer van de Ravensteinse loterij was Johannes Franciscus van Willigen (1698–1767). Hij was advocaat-fiscaal van het Land van Ravenstein: een hoge ambtenaar die namens de landsheer toezicht hield op recht en bestuur.

​

Van Willigen was een praktisch ingestelde man met visie. Hij zag dat de parochie dringend een nieuwe kerk nodig had, maar ook dat de stad zelf daarvoor niet genoeg geld had. Zijn oplossing was even eenvoudig als slim: een loterij, waarbij veel mensen een klein bedrag inlegden, en de gezamenlijke opbrengst groot genoeg werd voor een ambitieus bouwproject.

​

Hij pakte het bovendien grondig aan. Van Willigen zorgde voor een officiële vergunning van de landsheer, keurvorst Carl Philip von Neuburg. Daardoor was de loterij niet alleen toegestaan, maar ook betrouwbaar. En dat was essentieel: mensen moesten erop kunnen vertrouwen dat hun geld goed terechtkwam.

​

Een kerk als zichtbaar resultaat

​

Met de opbrengst van de loterij werd de Sint-Luciakerk gebouwd, die in 1735 werd ingewijd. Voor die tijd was het een indrukwekkend gebouw: groot, rijk uitgevoerd en in een barokstijl die in Noord-Brabant zeldzaam was.

​

De kerk was meer dan alleen een gebedshuis. Ze werd een symbool van katholieke aanwezigheid en vrijheid. In veel omliggende gebieden mochten katholieken hun geloof nog niet openlijk belijden. Wie in Ravenstein een lot kocht, deed dus niet alleen mee aan een kansspel, maar droeg bij aan een groter ideaal. Dat Van Willigen en zijn vrouw Maria Elisabeth van den Broeck later een prominente grafplaats in deze kerk kregen, zegt veel. Het was een blijvend teken van dankbaarheid van de gemeenschap.

​

Familie en netwerk: samen sterk

​

Het succes van de loterij en het fonds was geen toevalstreffer en geen prestatie van één persoon. Het werd gedragen door een netwerk van bestuurders, geestelijken en families die elkaar kenden en vertrouwden.

Een bijzondere rol speelde de familie Van Willigen zelf. De broer van Johannes Franciscus, Willem Ignatius van Willigen, trad toe tot de jezuïetenorde. Hij werd later pastoor van Ravenstein en rector van het Gymnasium Aloysianum, de Latijnse school die met steun van het fonds werd opgericht.

Zo ontstond een sterke combinatie:

  • de ene broer regelde de juridische en financiële kant,

  • de andere gaf leiding aan kerk en onderwijs.

In onze tijd zouden we dat misschien “belangenverstrengeling” noemen, maar in de 18e eeuw werkte het juist stabiliserend. Het zorgde voor korte lijnen, duidelijkheid en continuïteit.

​

De stille krachten achter de schermen

​

Naast deze bekende namen waren er ook mensen die minder op de voorgrond stonden, maar onmisbaar waren. Denk aan de landschrijver, zoals Leonardus van Duren, die zorgde voor de administratie, de rekeningen en de archieven. Ook de bestuurders van het fonds – de schepenen en later de provisoren – kwamen vrijwel altijd uit de lokale elite. Hun goede naam stond op het spel. Juist dat zorgde ervoor dat het geld zorgvuldig en verantwoord werd beheerd.

​

Van loterij naar blijvend fonds

​

Na de bouw van de kerk bleef de loterij bestaan. Niet alle opbrengsten werden meteen uitgegeven. Een deel werd opgespaard en belegd. Zo groeide er vanaf 1752 langzaam maar zeker een echt fondsvermogen.

Rond 1793 bedroeg dat vermogen bijna 92.000 gulden – een enorm bedrag voor een stadje als Ravenstein. De laatste echte loterijtrekking vond plaats in 1782. Daarna leefde het fonds vooral van rente en goed beheer.

​

Met dat geld werden onder meer ondersteund:

 

Hoe bijzonder was Ravenstein?

​

Ravenstein was in dit opzicht echt uitzonderlijk. In de Republiek der Nederlanden bestond sinds 1726 de Generaliteitsloterij (de voorloper van de Staatsloterij). Die was bedoeld voor de staatskas, bijvoorbeeld om oorlogen te betalen. Het geld verdween naar Den Haag; lokaal merkte men er weinig van. â€‹In het keurvorstendom van de Palts bestonden ook loterijen, maar die waren meestal commerciële ondernemingen. De winst ging naar de Keurvorst en zijn zakenpartners.

​

Ravenstein koos een andere weg. Hier werd de loterij een maatschappelijk instrument, met zichtbare opbrengsten voor kerk, onderwijs en gemeenschap. Eigenlijk was het een “maatschappelijke loterij” avant la lettre.

​

Waarom het fonds zo lang bleef bestaan?

​

Het geheim van het Loterijfonds Ravenstein zat niet alleen in geld, maar vooral in vertrouwen, samenwerking en verbondenheid. Zolang het netwerk van bestuurders, families en geestelijken intact bleef, functioneerde het fonds goed. Toen dat netwerk tijdens de Franse tijd (rond 1794) uit elkaar viel, raakte het fonds in problemen. Pas in 1818, onder toezicht van koning Willem I, werd de organisatie weer op orde gebracht.

​

Een fonds als spiegel van de gemeenschap

​

Het Loterijfonds Ravenstein vertelt het verhaal van een kleine stad die groot durfde te denken. Met loten, maar vooral met samenwerking. Het laat zien hoe geloof, geld en gemeenschap elkaar kunnen versterken. Voor Ravenstein was het fonds nooit alleen een spaarpot. Het was – en is – een uitdrukking van zorg voor elkaar, voor onderwijs, cultuur en erfgoed. Misschien is dat wel de belangrijkste reden dat het fonds tot op de dag van vandaag voortleeft.

bottom of page